beelddenken of taaldenken

beelddenkers

Elk kind draagt in zich de ‘goesting’ om zich verder te ontwikkelen.
Maar soms wordt deze overschaduwd door zaken waar wij als ouders/begeleiders geen vinger op kunnen leggen.

Ik wil jullie inzicht bieden in wat er fout kan gaan bij de ontwikkeling en het leren van onze kinderen. En nog belangrijker, wat we er wel aan kunnen doen.

Stel ik zeg je het woord ‘boot’. Krijg je in je gedachten een boot te zien? Met een grote mast en een geel zeil, een kleurrijke vlag en hoor je de golven tegen de boot aanslaan? Of krijg je de letters van het woord in gedachten (b-o-o-t)?

 

Twee volledig verschillende manieren van denken het horen van hetzelfde woord.

Beelddenken of taaldenken, visueel of verbaal cognitief.

beelddenken versus taaldenken

De beelddenker denkt associatief en overziet het geheel. Hij voegt eigen ervaring en kennis toe en ziet logische verbanden. Van het geheel gaat hij naar de kern. Beelddenkende kinderen/jongeren hebben het lastig binnen het onderwijs omdat dit voor het grote deel aansluit bij de informatieverwerving en -verwerking van de taaldenker.

Wetenschappelijk onderzoek* toont aan dat een kind vanaf het 4de levensjaar een voorkeur ontwikkeld voor één van beide leersystemen: het verbale of visuele leersysteem.

Voor de eenduidigheid is geschreven taal vaak noodzakelijk. Het staat zwart op wit en kan zo gekopieerd worden. Dit is precies de manier waarop de taaldenker de informatie die hij krijgt, verwerft en verwerkt. Hij werkt vanuit de kern naar het geheel en trekt logische conclusies.

Hij onthoudt de leerstof letterlijk en voert opdrachten op volgorde uit.

beelddenken

Beelddenken is denken in beelden en gebeurtenissen, niet in woorden en begrippen, ruimtelijk denken. Beelddenkers zien beelden van situaties en gebeurtenissen, waarin meerdere zaken tegelijkertijd zichtbaar worden. Op die manier kan hij snel het geheel overzien en snel een oplossing vinden. Dit onder woorden brengen is eerder het probleem.

Beelddenken is niet beeldvormen (=visualiseren). Dit is alleen een eindgebeuren en geen denkproces zelf. Onder beelddenken verstaan we probleemoplossend bezig zijn. De beelddenker doet op de eerste plaats zonder worden. Hij gaat pas later zijn gedachten in woorden overbrengen. De taaldenker zal, met steun van visualisatie, over een situatie vertellen. De beelddenker bevindt zich in zijn bedachte beeld. Om zijn ruimtelijk beeld te kunnen verwoorden, moet hij zich buiten het beeld/gebeuren plaatsen. Hij bekijkt het beeld en verwoordt dan wat hij ziet.

De beelddenker heeft hier dus meer tijd nodig voor nodig.

beelddenker bij geboorte

Elk van ons is een beelddenker bij geboorte. Een baby kent nog geen taal.

Tijdens zijn ontwikkeling leert het jonge kind praten. Hij zal klanken koppelen aan het beeld dat hij al had. De grote witte kuip waarin je wordt gewassen, hoort bij de klanken b-a-d. Op een bepaald moment wordt de klank wassen het beeld van het bad oproepen. Op die manier verwerkt het jonge kind de informatie in zijn hoofd en hoort hij echt wat er wordt gezegd.

Beeld is in het begin noodzakelijk om te leren.

Kinderen die aanleg hebben voor denken in taal zullen leren praten door de klanten die zij opvangen te imiteren. Wat zij vertellen komt in volgorde overeen met hoe volwassen het vertellen, op volgorde van tijd: taaldenken.

Bij een goede ontwikkeling van dit proces gaat het beelddenken steeds verder over in taaldenken.

Vanaf 4 jaar ontsaat er bij het kind een voorkeur voor één van beide manieren van informatie verwerven en verwerken.

Rond 10 jaar is het proces voltooid en spreken we van een visueel dominant of verbaal dominant leersysteem; beelddenker of taaldenker. Een deel van de kinderen maakt de overstap niet naar het taalddenken en blijft dus beelddenker.

 Een beelddenker zal vooral vanuit zijn dominante rechterhersenhelft denken en handelen.

 

 

uitdagingen beelddenker?

*(The rise and fall of immediate and delayed memory for verbal and visuospatial information from late childhood tot late adulthood’, Jaap Murre, hoogleraar theoretische neuropsychologie, 2010 )